In het grote, glimmende Station van Morgen woonde een heel klein robotje. Zijn naam was Beep. Beep was niet groot; hij was precies zo hoog als jouw knie. Hij was prachtig blauw en rood, en hij had één groot, goudkleurig oog dat zachtjes licht gaf.
Zzzz-zip! Zo gleed Beep over de vloer op zijn drie snelle pootjes. Hij hielp de mensen en hield de tegels netjes. Maar Beep had een geheim. Hij was een klein beetje bang voor de Zilveren Flits, de allersnelste en allergrootste trein van de hele wereld. Als de rails begonnen te brommen—hmmm, hmmm—dan trilden de wieltjes van Beep en kroop hij stilletjes weg achter een bagagekarretje.
Op een dag klonk er een stem: 'De Zilveren Flits komt eraan op Perron 9!' De muren begonnen te trillen. De wind begon te waaien. Woeiii! Beep wilde al bijna wegrijden, toen hij iets zag. Op het spoor zat een heel klein vogeltje. Het vogeltje was net zo bang als Beep en wist niet waar het heen moest.
Beep dacht na. Zijn grote gouden oog begon feller te schijnen. Hij moest helpen! Met een dapper hartje rolde hij naar voren. Rrr-rrr-rrr, deden zijn kleine motortjes. Hij reed helemaal tot aan de gele streep. Hij maakte zichzelf zo groot mogelijk.
Daar kwam de trein... VROOOOM! Hij was zilver, hij was snel, en hij was heel erg groot. Maar Beep bleef staan. Het vogeltje vloog gauw weg naar een veilig plekje. Beep voelde de wind in zijn lak, maar hij zette zijn pootjes stevig neer.
Toen de trein stilstond met een zucht—pffff—deed Beep iets wat hij nog nooit had gedurfd. Hij keek omhoog naar de grote, sterke locomotief en riep met zijn helderste stem: 'PIEP!'
En wat denk je dat er gebeurde? De grote Zilveren Flits gaf een vrolijk toetje terug: TOEEET! Het was een begroeting. De trein vond Beep juist heel erg lief. Beep straalde helemaal van geluk. Hij was niet meer de kleine robot die zich verstopte. Vanaf die dag was hij de officiële Welkomst-Robot van het station.
En zo kwam alles precies goed. Slaap lekker, kleine dappere robot.