Er was eens een heel lieve draak. Zijn naam was Zog. Kijk eens naar zijn groene schubben! Ze blinken als edelsteentjes in de zon. Zog is groot en rond en een beetje onhandig, maar zijn hart is nog groter dan zijn buik. Hij heeft piepkleine vleugeltjes. Klapper-de-klap, klapper-de-klap! Hij kan niet echt vliegen, maar hij huppelt wel vrolijk door het bos. Boem-die-boem, boem-die-boem.
Op een dag liep Zog tussen de hoge bomen. De wind zuchtte zachtjes: sssjt, sssjt. Opeens hoorde Zog een heel klein geluidje bij de wortels van de grote eikenboom. Piep! Piep! Wat was dat? Zog keek met zijn grote, bruine ogen naar de grond. Daar lag Tweest, een heel klein vogeltje. Tweest was uit het nest gevallen. Het nestje was heel hoog in de boom. Oh nee, Tweest was bang en koud.
Zog wist wat hij moest doen. Hij pakte zijn zachte, leren tas. Hij vulde de tas met plukjes groen mos. Heel zachtjes, alsof hij een wolkje vastpakte, legde hij Tweest in de tas. Zog begon de vogel zachtjes te wiegen. Heen en weer, heen en weer. Wiege-wieg, wiege-wieg. 'Ssshh-shhh,' zei Zog. Hij wreef met zijn hartvormige schubben tegen het vogeltje om het lekker warm te maken.
Maar Tweest moest weer naar huis. Zog kon niet vliegen, maar hij kon wel klimmen! Hij gebruikte zijn dikke staart voor evenwicht. Stapje voor stapje. Klim-die-klim, klim-die-klim. Zog was heel voorzichtig. Eindelijk was hij bij het nestje. Mama vogel keek blij en tjilpte vrolijk. Zog zette Tweest zachtjes terug in het warme bedje van veren.
Zog gleed weer naar beneden en kwam met zijn voeten op het zachte gras. Pof! Zijn gouden ring om zijn staart gaf een mooi lichtje. Hij was zo blij dat hij had geholpen! Tweest was weer veilig en warm. Zog zwaaide met zijn kleine vleugeltjes. Dag Tweest! En zo ging de kleine groene draak weer naar huis, huppelend door het bos. Boem-die-boem, boem-die-boem. Welterusten, Zog.