In een groot, stil museum waar de geschiedenis op haar teentjes loopt, liep een jongen genaamd Ryu. Ryu was niet zomaar een jongen. Hij had prachtig donkerbruine huid, een zilveren litteken op zijn voorhoofd en haar dat zo blauw was als de allerdiepste oceaan. Terwijl andere mensen naar oude schilderijen staarden, voelde Ryu iets anders. Hij voelde een ritme. Boem-ba, boem-ba. Dat kwam niet van zijn eigen hart, maar van een enorm, antiek schip midden in de zaal: 'De Gouden Kuif'.
Ryu liep naar het houten schip toe. Kreeeeeoek, kraakten zijn zolen op de gladde vloer. De andere kinderen fluisterden, maar Ryu wist dat dit schip droomde van de woeste zee. Hij raakte met zijn fonkelende hanger het hout aan en—Swoosh! De vloer onder zijn voeten veranderde plotseling in spetterend, zilt water. De muren van het museum verdwenen en maakten plaats voor een eindeloze blauwe horizon. Kun je de zoute wind al ruiken? Ryu wel!
Het schip begon te wiegen op de golven. Klots, plas, klots! Maar ojee, de golven werden hoger en hoger, als dansende bergen van water. Ryu’s vrienden hielden zich stevig vast aan de touwen. Het schip wilde alleen vooruit als ze samenwerkten. Ryu lachte en riep: 'Hup, samen een, twee!' Door hun gelach en hun dapperheid begon het schip te zingen. Toen er een dikke, grijze mist kwam opzetten, begon het blauwe haar van Ryu fel te stralen. Het was als een vuurtoren in de nacht. Puf, weg was de mist!
De zee werd weer rustig en de zon begon goudgeel te kleuren. Met een zachte 'Thump!' stond het schip plotseling weer stil op zijn plek in het museum. Geen druppel water was er meer te zien op de vloer, maar Ryu voelde nog steeds het zout op zijn wangen. Hij wist nu dat oude spullen niet saai zijn, maar vol zitten met magische verhalen. Hij gaf het schip een klein klopje en liep met een blij hart naar buiten. En zo kwam alles precies op zijn pootjes terecht.