Het was een middag zoals alle andere in de Grote Vallei, of dat dacht Twig tenminste. Twig was een piepkleine boself met vlechtjes van gras en een pakje van zacht, smaragdgroen mos. Hij leunde op zijn trouwe wandelstok—een gepolijst takje met een enorme, pluizige paardenbloem bovenop. Normaal gesproken zong de wind door zijn haren en dansten de bloemen een vrolijke salsa, maar vandaag? Vandaag was alles stil. Muisstil.
Twig fronste zijn wenkbrauwen, waardoor de stuifmeel-sproetjes op zijn neus dansten. 'Hé,' fluisterde hij. 'Waar is de oempf van de wind gebleven?' De blaadjes hingen slap aan de bomen en de klokjes van de blauwe boshyacinten stonden stil als standbeelden. Dat was vreemd. Heel vreemd. Weet je wat een detective doet als er iets geks aan de hand is? Precies: hij gaat op onderzoek uit. Twig pakte zijn paardenbloem-stok stevig vast en begon aan zijn tocht. Zijn voeten maakten een zacht tsjirp-tsjirp geluid op het mos.
Na een tijdje stappen keek Twig omhoog naar de Whispering Peaks, de hoge bergen die de vallei omringen. En daar zag hij het! De wolken, die normaal gesproken als witte schaapjes door de lucht huppelen, lagen roerloos bovenop de scherpe punten van de berg Snurk. Het zag eruit alsof de hemel aan een spijker was blijven hangen. 'Zouden ze... slapen?' dacht Twig. 'Of zitten ze vast?' Hij moest en zou het mysterie oplossen.
Het was een flinke klim voor een elfje van slechts een paar centimeter groot. Klim, klauter, puf! Twig gebruikte de pluizen van zijn stok als een soort parachute om over diepe spleten te zweven. Wjoesj! Net toen hij de top van de berg Snurk bereikte, hoorde hij een hoog, trillend stemmetje. 'O jee, o grutjes, o hemeltje toch!' Het was Pip, de wolkenherder. Pip was nog kleiner dan Twig en had vleugeltjes die sneller fladderden dan die van een kolibrie.
'Pip! Wat is er aan de hand?' riep Twig boven het gesnurk van de wolken uit. Want ja, de wolken waren inderdaad in een diepe middagslaap gevallen en ze snurkten als een dozijn tevreden reuzen. Zzzzz-sj-pjoew! Zzzzz-sj-pjoew!
'Oh, Twig! De wolken zijn vastgehaakt aan de scherpe rotsen van Snurk,' jammerde Pip. 'En nu ze vastzitten, durven ze niet meer te bewegen. De wind probeert ze te duwen, maar hij krijgt er geen beweging in. De hele lucht blokkeert! En als de wolken niet drijven, stopt de wind met waaien in de hele vallei!' Pip probeerde met zijn kleine handjes een enorme, wollige Cumulus-wolk los te trekken, maar het was alsof hij een berg probeerde te verzetten.
Twig keek naar de reusachtige, pluizige witte bergen van watten. Ze zagen er bang en koppig uit. 'We moeten ze wakker maken en laten zien waar ze heen moeten,' zei Twig slim. Hij opende zijn eikel-tasje en haalde er een handjevol glinsterend goudpoeder uit: kietel-stof, gemaakt van het fijnste stuifmeel. 'Pip, help je mee? We gaan ze een beetje giechel-energie geven!'
Ze vlogen en klommen over de mistige randen van de wolken. Strooi, strooi, strooi. 'Hatsjie!' nieste een van de wolken. De wolk schudde heen en weer, maar hij bleef vastzitten aan een nare, scherpe punt van de berg Snurk. De wolken trokken hun witte 'dekens' nog strakker om zich heen. Ze waren verdwaald en wisten niet meer waar de weg naar de andere kant van de vallei was. 'Het werkt niet,' zuchtte Pip. 'Ze zijn te bang om los te laten.'
Maar Twig gaf niet op. Een goede detective weet dat je soms niet moet duwen, maar moet lokken. Hij dacht aan zijn gezellige huisje in de vallei. Hij graaide diep in zijn eikel-tasje en vond de schatten die hij daar altijd bewaarde voor noodgevallen: een takje gedroogde lavendel en een paar geurige dennennaalden uit de Grote Vallei. Hij wreef de kruiden tussen zijn handen totdat de heerlijke, vertrouwde geur van beneden naar boven kringelde.
'Ruiken jullie dat?' riep Twig naar de wolken. 'Dat is de geur van de dansende rivier en de zingende dennen! Dat is de weg naar huis!' Hij hield zijn paardenbloem-stok in de lucht als een baken. De zachte geur zweefde over de grijze rotsen. En langzaam, heel langzaam, openden de wolken hun mistige oogjes. Ze roken de lente, ze voelden de vriendschap van het kleine elfje en ze begonnen te wiebelen.
'Eén... twee... HOP!' riep Twig. Met een enorme KRAK-PLOEP schoot de grootste wolk los van de berg Snurk. En dat was het teken! Alle andere wolken volgden. Boem, pats, fwoosh! De wind, die al die tijd ongeduldig had gewacht, gaf een enorme zet. Een gigantische windvlaag blies door de toppen van de bergen.
'Kijk ze gaan!' juichte Pip, terwijl hij een pirouette maakte in de lucht. De wolken zeilden nu sierlijk door het blauw, alsof ze nooit anders hadden gedaan. In de vallei beneden begonnen de bloemen weer te wiegen en de bladeren te ritselen. De stilte was gebroken door het mooiste geluid van de wereld: de ademhaling van de natuur.
Twig daalde rustig af naar huis, terwijl de wind zachtjes door zijn gras-vlechtjes kriebelde. Hij leunde op zijn paardenbloem-stok en glimlachte. Het mysterie was opgelost. Hij had geleerd dat je met een beetje geduld, een goede geur en een dapper vriendje zelfs de grootste wolken weer in beweging krijgt. En dat is hoe alles in de Grote Vallei precies op tijd weer helemaal goed kwam.