Zoe knielt in haar denim overall bij een grote mierenhoop in het gras. In haar hand houdt ze een vergrootglas en een kleine lantaarn. De zon schijnt op haar blonde vlechtjes. Ze ziet een kleine mier die een broodkruimel draagt. Waar ga je heen, kleine vriend? vraagt Zoe. Ze schijnt haar lichtje in een donker holletje om hem te volgen.
Zoe tuurt door haar glas. De gangetjes zijn diep en donker. Ze wiebelt onrustig met haar voeten in haar bruine laarzen. Kunnen de mieren de weg wel vinden? vraagt ze zich af. Ze fluistert: Kleine lichtjes en pootjes zo fijn, maken gangen dapper en klein. Dan ziet ze een wortel die de weg blokkeert. Wat doen de mieren nu?
Bram de mier is niet alleen. Veel vriendjes komen helpen. Samen duwen ze tegen een zware steen die de weg verspert. Zoe kijkt door haar vergrootglas en haar blauwe ogen worden groot. Kijk! Achter de steen ligt een glanzende kraal die zachtjes licht geeft. De mieren werken samen en maken de weg weer vrij. Wat zijn ze dapper!
Diep onder de grond is een grote kamer. Zoe ziet dat de mieren glimmende steentjes gebruiken. Het is kwarts! De steentjes vangen het licht van haar lantaarn op. Het licht springt van steen naar steen door de gang. Zoe krijgt een warm gevoel. Kleine lichtjes en pootjes zo fijn, maken gangen dapper en klein, zegt ze tegen de mieren.
De mieren bouwen een nieuwe gang die omhoog gaat. Ze graven handig om een grote steen heen. Zoe volgt ze met haar lantaarn. Kleine lichtjes en pootjes zo fijn, maken gangen dapper en klein, zingt ze zachtjes. Eindelijk zien ze weer groen gras. De mieren zijn boven! De ondergrondse stad is nu klaar en prachtig verlicht door de glimmende steentjes.
De zon gaat langzaam onder en de lucht wordt roze. Zoe zet haar lantaarn neer en gaat rustig in het gras zitten. Ze weet dat de mieren nu veilig diep onder haar voeten zijn. De eerste sterren twinkelen in de lucht, net als de steentjes in de tunnels. Alles is stil en Zoe voelt zich heel gelukkig en tevreden.