Er was eens een draakje dat Zog heette. Zog was niet groot en ook niet gevaarlijk. Hij was een prachtig smaragdgroen draakje, zo rond als een peer, met kleine vleugeltjes die flapper-de-flap deden als hij enthousiast was. Op een avond zat Zog in zijn knusse grot. Het was heel stil. Een beetje té stil. Zog keek naar het donkere hoekje van zijn kamer. Wat was dat? Twee piepkleine, glinsterende oogjes keken hem aan. Oei! dacht Zog. Zijn hartje ging boem-boem-boem.
Zog kroop voorzichtig dichterbij op zijn dikke poten. Stap, stap, stap. In de hoek zat een heel klein spinnetje. Het had wel acht pootjes! Kun je dat geloven? Acht! Zog heeft er maar vier. Het kleine spinnetje heette Spikkel. In het begin vond Zog die acht pootjes een beetje eng. Ze bewogen zo snel... kriebel-krabbel, kriebel-krabbel! Maar weet je wat Spikkel deed? Ze was niet van plan om Zog te laten schrikken. Nee, Spikkel begon te dansen!
Zoef! Spikkel sprong van de muur. Woosh! Daar kwam een glanzende draad uit haar buikje. Spikkel rende heen en weer, op en neer. Ze weefde een prachtig web dat glinstert als duizend diamantjes in het maanlicht. Zog keek met grote, open ogen toe. "Oh!" riep hij. Hij wilde ook helpen! Hij probeerde met zijn grote drakenklauwen een draadje te pakken, maar Pats-boem!, hij was een beetje te onhandig. Zijn grote poten waren niet gemaakt voor van die fijne kunstwerkjes.
Zog leerde dat hij niet hoefde te graaien. Hij moest gewoon kijken. Hij zag hoe Spikkel met haar acht pootjes de mooiste figuurtjes maakte. De hoek die eerst zo donker en eng was, leek nu wel een museum van licht! Spikkel was geen eng monster, ze was een echte kunstenaar. Zog voelde zich helemaal niet meer bang. Hij voelde zich blij! Want ook al was Spikkel heel anders dan hij, ze maakten samen iets heel moois.
Zog wilde toch iets doen. Hij haalde diep adem en... puf! Hij blies heel zachtjes wat warme drakenlucht over het web. De zijde droogde meteen op en begon nog harder te glimmen. Wauw! Het web wiegde zachtjes heen en weer. Spikkel knikte trots met haar kleine kopje naar Zog. Ze waren nu dikke vrienden. Zog wist nu dat acht pootjes heel handig zijn om toverwerk te maken.
Toen het tijd was om te slapen, kroop Zog in zijn zachte bedje. Hij keek nog één keer naar het fonkelende web in de hoek. Het was niet meer donker, het was prachtig. Zog hield zijn knuffel stevig vast en sloot zijn amberkleurige ogen. Hij was niet meer alleen, en hij was ook niet meer bang. En zo liep alles precies goed af. Welterusten, Zog. Welterusten, kleine Spikkel.