Heb je er ooit bij stilgestaan dat draken uitstekende detectives zouden zijn? Nou, niet zomaar elke draak natuurlijk. Ik heb het over Zog. Zog is geen vuurspuwende griezel die prinsessen ontvoert; hij is een smaragdgroene verschijning met een buikje zo rond als een peer en vleugeltjes die zo klein zijn dat ze sneller moeten wapperen dan die van een kolibrie om hem in de lucht te houden. Met een gouden ring om zijn staart en een leren tas vol glimmende prullaria, was Zog in zijn moderne bibliotheek aan het rommelen toen hij op een mysterie stuitte: 'Het Grote Banket-Rraadsel van 1422'. Een vlaai zo groot als een karrenwiel was verdwenen. Zog snoof eens diep met zijn ronde snuit. Hij rook geen oud papier, hij rook... avontuur. En misschien ook een beetje banketbakkersroom.
Met een enthousiaste sprong en een hoop geflapper activeerde Zog de magische tijdspiegel in de hoek van zijn kamer. Woesj! De wereld tolde rond als een tol in een storm, en voor hij het wist, landde Zog met een zachte boem op de kasseien van Kasteel Kruimelstein. Het was daar een chaos. Ridders liepen tegen elkaar op, hun harnassen maakten een kabaal van kling-klang-kling, en de koning zat met zijn handen in het haar. De Grote Banketvlaai was weg! Gestolen! De kokkin was ontroostbaar en praatte wanhopig tegen een zak meel. 'Wie heeft het gedaan?' riep de koning. 'Het was de monsterlijke bos-reus!' riepen de ridders in koor terwijl ze hun zwaarden trillend vasthielden.
Zog, met zijn grote amberkleurige ogen vol nieuwsgierigheid, besloot dat het tijd was voor actie. 'Pardon,' zei hij met een vriendelijke stem die klonk als het spinnen van een grote kat, 'ik ben Zog, de draken-detective. Mag ik even rondkijken?' De ridders staarden hem aan. Een groene draak met piepkleine vleugeltjes? Dat was vreemd, maar een reus was enger, dus lieten ze hem begaan. Zog opende zijn tas. Tijd voor onderzoek. Heb jij enig idee waar je zou beginnen met zoeken als een hele vlaai vermist is? Juist, bij de kruimels!
tiptoe-tiptoe-tiptoe... Zog volgde een spoor van kleverige, gele vlaai-stippen over de vloer van de grote zaal. Hij vond een zilveren lepel in de slotgracht (plons!) en hoorde een vreemd geluid uit de kelder komen: Knars-slurp... knars-slurp... Sir Pomp-a-Lot, een ridder met een harnas dat zo glom dat je er je tanden in kon poetsen, stoof naar voren. 'Het is het monster! Ik hoor hem kauwen op de botten van onze voorouders!' Zog schudde zijn hoofd. 'Monsters gebruiken meestal geen zilveren lepels, Sir Pomp-a-Lot.'
Zog merkte iets heel geks op bij de kelderdeur. Er stonden voetafdrukken in de gemorste vlaai. Grote, lompe voetafdrukken die precies leken op de voeten van een reus. Maar wacht eens even... Zog boog diep voorover, zijn hoorntjes raakten bijna de grond. Zie je dat ook? De afdrukken hadden de vorm van kleine, menselijke laarzen, maar met een soort wollen patroon eroverheen. Alsof iemand sokken over zijn schoenen had getrokken om geen geluid te maken. Een erg slimme reus? Of een erg onhandige dief? Zog zette een achtervolging in die dwars door de keukens ging. Rinkel-de-kinkel! Daar vlogen de pollepels!
Uiteindelijk leidde het spoor niet naar een donker hol, maar naar de slaapzaal van de schildknapen. Daar, in het zachte maanlicht, lag de jongste schildknaap in opleiding. Hij lag diep te slapen, maar zijn mond bewoog alsof hij op de lekkerste koekjes ter wereld kauwde. Hij had een grote gele vlek op zijn pyjama en een sok die half van zijn voet gleed. Zog begreep het meteen. De arme jongen hield zoveel van de vlaai dat hij erover was gaan dromen en in zijn slaap naar de keuken was gewandeld. Hij was geen dief, hij was een slaapwandelaar met een enorme trek!
Zog verzamelde iedereen in de Grote Zaal. De ridders stonden klaar met hun speren, verwachtend dat Zog een monster zou aanwijzen. Maar Zog wees naar de kleine schildknaper die nog steeds een beetje suf uit zijn ogen keek. 'Geen reus, geen geesten,' zei Zog zachtjes. 'Alleen een droom over iets lekkers.' De ridders lachten een beetje beschaamd. Hun angst was nergens voor nodig geweest. Maar de vlaai was nog steeds op, en de buiken rammelden nog steeds. Grommel-grommel!
'Geen nood,' zei Zog. In de kasteelkeuken hielp hij de kokkin. Terwijl zij het nieuwe deeg kneedde, gebruikte Zog zijn drakenvuur β niet op de 'alles-moet-afbranden'-manier, maar heel beheerst en zachtjes. Fwoosh! Met de perfecte temperatuur bakte hij een vlaai die nog drie keer groter was dan de vorige. De geur van warme custard en knapperige korst vulde het hele kasteel. Iedereen kreeg een stuk, zelfs de knorrige kasteelmuis.
En zo eindigde het mysterie. Sir Pomp-a-Lot leerde dat niet elk geluid een monster is, de schildknaap kreeg voortaan een extra boterham voor het slapengaan, en Zog? Die vloog terug door de tijdspiegel met een voldaan gevoel en een heel klein beetje vlaai op zijn neus. Want observatie, zo concludeerde de kleine groene draak, is altijd beter dan beschuldigingen. En een warme vlaai? Dat is het beste bewijsmateriaal dat er bestaat. En dat is hoe alles precies goed kwam.